Over hoe fragmentering werkt als bestuursstrategie — en waarom populisten daar altijd van winnen
1. Een pizza die niemand kon eten
Op Prinsjesdag 2026 presenteerde het minderheidskabinet-Jetten zijn eerste volledige begroting. ABN AMRO omschreef het resultaat treffend: een pizza waarvan elke partij een aantal stukjes heeft. D66 had haar stukjes, VVD haar stukjes, CDA haar stukjes. Samen vormen die drie partijen 66 zetels in de Tweede Kamer. Voor een meerderheid zijn er 76 nodig.
De pizza was al gesneden vóórdat de andere gasten aan tafel kwamen.
Wat volgde was een begroting die zichzelf ‘begroting zoekt meerderheid’ moest noemen, een term die je normaal gesproken niet associeert met bestuurlijk zelfvertrouwen. Het kabinet moet nu óf steun vinden bij PRO (GroenLinks-PvdA), die vraagt om minder bezuinigingen, óf bij rechtsere partijen, die vragen om minder uitgaven. Die twee richtingen sluiten elkaar uit. De pizza is intussen koud.
Dit is geen kritiek op dit specifieke kabinet. Het is een illustratie van een mechanisme. En dat mechanisme is het onderwerp van dit essay.
2. Fragmentering is geen ongeluk
Ons politieke systeem is ingericht om problemen gescheiden te houden. Niet door kwaadwilligheid, maar door structuur.
Neem hoe een overheid georganiseerd is: ministeries hebben eigen begrotingen, eigen beleidsverantwoordelijkheden, eigen Kamercommissies, eigen lobbynetwerken en eigen definitiemacht over wat een probleem is en wat niet. Volkshuisvesting gaat over woningen. Landbouw gaat over boeren. Milieu gaat over milieu. Volksgezondheid gaat over gezondheid. Financiën gaat over geld.
Maar de grote problemen van deze tijd respecteren die grenzen niet. De PFAS-vervuiling rondom Chemours in Dordrecht is tegelijkertijd een milieuprobleem, een volksgezondheidsprobleem, een juridisch probleem, een ruimtelijk probleem en een bestuurlijk probleem. Elk departement herkent een stuk, is verantwoordelijk voor een stuk, en kan de rest doorschuiven. Het probleem valt precies tussen de stoelen. Dat is geen pech, dat is de architectuur.
Hetzelfde geldt voor de stikstofproblematiek, de woningcrisis, de energietransitie, de betaalbaarheid van het dagelijks leven. Stuk voor stuk problemen die in meerdere domeinen tegelijk bestaan, en die daarom in geen enkel domein volledig worden opgelost. De politiek produceert beleidsnota’s per domein. De samenleving ervaart de problemen als één grote onoplosbare brij.
3. Het politieke voordeel van de simpele schuldige
Hier wordt het interessant en vervelend.
Want terwijl het centrum tien losse oplossingen produceert voor tien losse problemen, biedt de populistische rechterzijde één coherente schuldige voor alle tien tegelijk. September 2026 maakte dat in Duitsland zichtbaar op een manier die moeilijk te negeren is. Op 6 september won de AfD in Saksen-Anhalt 43,8 procent van de stemmen, het beste resultaat ooit voor enige partij in een Duitse deelstaat sinds de hereniging, en nipt te weinig voor een absolute meerderheid. Twee weken later, op 20 september, won de AfD ook in Mecklenburg-Vorpommern met 38,2 procent. De CDU haalde de kiesdrempel van 5 procent niet eens, voor het eerst uit het parlement gestemd in een deelstaat. De SPD van zittend minister-president Schwesig sleepte een tweede plek binnen met 35,5 procent, en zal waarschijnlijk een coalitie moeten vormen met Die Linke en de Groenen om de AfD buiten de deur te houden. Vier partijen nodig voor een meerderheid. De AfD heeft één boodschap.
Maar de uitslag van diezelfde avond in Berlijn is minstens even veelzeggend. Daar won niet de rechts-populistische AfD, maar Die Linke, met 25,7 procent, voor het eerst sterkste partij in de hoofdstad sinds de hereniging. Hun campagne draaide niet om immigratie maar om wonen: de betaalbaarheid van de stad, huurprijzen, de verdrijving van lagere inkomens uit de wijken. Één probleem, één narratief, een historische overwinning.
Het patroon is nu volledig: het politieke midden verliest niet alleen aan rechts. Het verliest aan iedere partij die één coherent probleem benoemt en daarvoor een herkenbare schuldige aanwijst. De AfD wint op immigratie. Die Linke wint op wonen. Beide reduceren complexiteit tot een enkelvoudig verhaal. Het centrum biedt tien losse antwoorden op tien losse vragen, en verliest aan beide kanten tegelijk.
Wie komend voorjaar naar Frankrijk kijkt, ziet de volgende fase. Marine Le Pen staat in peilingen op 33 tot 38 procent voor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in april 2027, zo goed als zeker de tweede ronde. Haar meest waarschijnlijke tegenstander is niet een centrumkandidaat maar Jean-Luc Mélenchon van de radicaal-linkse France Insoumise, die in meerdere scenario’s als tweede eindigt. Macron laat, aldus Reuters, “een uitgehold politiek centrum en een verzwakte economie” achter. Zeven op de tien Fransen willen “echte verandering.” Dat is geen retoriek, dat is een diagnose van wat er met het centrum is gebeurd wanneer het structureel nalaat om problemen samen te hangen.
Een politiek systeem ontworpen voor de naoorlogse periode kraakt onder de druk van 21ste-eeuws populisme, zeiden politicologen na Thüringen in 2024. Dat klopt — maar het is onvolledig. Het systeem kraakt niet ondanks de fragmentering. Het kraakt door de fragmentering. Populisme is niet de oorzaak van het probleem. Het is het symptoom dat zichtbaar maakt waar het systeem faalt.
4. Het omgekeerde experiment
Maar kijk wat er gebeurt als je de fragmentering omdraait.
In het eerste essay van deze reeks stond een voorbeeld dat het herhalen waard is: de stijging van de olieprijs maakt klimaatinvesteringen in duurzame energie ineens ook een maatregel tegen energiearmoede én een bijdrage aan geopolitieke autonomie. Vier problemen, klimaat, betaalbaarheid, energiezekerheid, geopolitieke afhankelijkheid, worden één opgave. De oplossing is groter dan de som van haar delen, en de coalitie die haar draagt ook.
Dit is geen retorische truc. Het is systeemdenken als politiek instrument.
De woningcrisis en de stikstofcrisis worden in Nederland behandeld als twee afzonderlijke, haast vijandige dossiers. Boeren versus stedelingen, natuur versus bouw. Maar wie ze samenhangt, ziet iets anders: Nederland heeft verouderd grondgebruik, verstard eigenaarschap, en een ruimtelijke ordening die decennialang heeft nagelaten om structurele keuzes te maken. De stikstofuitstoot is deels een symptoom van een landbouwmodel dat zichzelf heeft vastgereden op schaalvergroting en exportafhankelijkheid. De woningcrisis is deels een symptoom van diezelfde rigiditeit in grondbeleid. Beide problemen hebben dezelfde structurele root cause en kunnen dus ook dezelfde structurele oplossing dragen.
Dat vraagt wel iets van de politiek: het lef om een probleem groter te definiëren dan het beleidsdomein dat erover gaat. En dat is precies wat ons politieke systeem structureel niet beloont. Want wie een probleem groter maakt, maakt ook zijn eigen verantwoordelijkheid groter en zijn eigen falen zichtbaarder.
5. Waarom het centrum dit verliest
De pizza-begroting is het perfecte voorbeeld van wat er misgaat als je wél probeert samen te werken, maar nog steeds in losse stukken denkt. Drie partijen met drie verschillende electoraten, drie sets van verkiezingsbeloften, drie lijstjes met prioriteiten. De onderhandelingstechniek is: iedereen krijgt zijn stukje. Het resultaat is een document dat van niemand is en niemand overtuigt.
Ondertussen vraagt het kabinet om steun van partijen die het tegendeel willen van wat ze al aan hun eigen achterban hebben beloofd. Het is politieke vierkante-cirkels-tekenen, en de burger ziet het.
Het fundamentele probleem is niet dat dit kabinet slecht onderhandelt. Het is dat de politieke grammatica waarbinnen onderhandeld wordt — ieder zijn domein, ieder zijn stukje, ieder zijn achterban, structureel verhindert dat problemen worden samengehangen. De pizza-metafoor onthult per ongeluk de ware aard van het probleem: coalitievorming wordt behandeld als verdeling, niet als compositie.
Een begroting als compositie zou beginnen met de vraag: wat zijn de twee of drie grote uitdagingen waarvoor we nu staan, en hoe hangen die samen? Betaalbaarheid, klimaat, geopolitieke kwetsbaarheid en de verbinding daartussen. Dan volgt pas: wie doet wat, en hoe financieren we het? Dat is een fundamenteel andere volgorde dan: wie krijgt welk stukje, en hoe houden we alle drie onze achterbannen tevreden?
6. Samenhang als narratief
Het centrum verliest niet omdat het de verkeerde oplossingen heeft. Het verliest omdat het geen verhaal heeft dat de problemen verbindt.
Populisten bieden een vals maar coherent verhaal: er is een vijand, er is een gouden verleden, er is een eenvoudige oplossing. Dat verhaal resoneert niet omdat mensen dom zijn, maar omdat samenhang zelf een behoefte is. Mensen ervaren hun leven niet in beleidsdomeinen. Ze ervaren: de huur die ik niet meer kan betalen, de lucht die ik inadem, de baan die onzeker is, de school van mijn kinderen die tekortschiet.
De politieke kracht van systeemdenken is niet dat het academisch correct is. Het is dat het die ervaring erkent. Dat het zegt: jij hebt gelijk dat dit samenhangt. En hier is waarom, en hier is wat dat betekent voor wat we moeten doen.
Dat is een ander soort verhaal dan de beleidsnota. Het is ook een ander soort verhaal dan de vijandbeeldpolitiek. Het is het verhaal dat het centrum zou kunnen vertellen — als het zich zou durven bevrijden van de pizza.
Dit essay is het derde in een reeks. De vorige bijdragen, ‘Andere afslagen zijn mogelijk’ en ‘Het verleden als wapen’, verschenen eerder op luxzen.eu. Het volgende essay gaat over historische voorbeelden van anders organiseren: bewijs dat het altijd anders kon.