Het verleden als wapen

Over nostalgie als staatsstrategie en waarom het werkt


1. Twee beelden, één mechanisme

Op 27 januari 2024 publiceerde De Speld een bericht over een Nederlandse tradwife die zo hevig verlangde naar het verleden dat ze per ongeluk in 1917 belandde — en nu geen stemrecht meer heeft. “Tja, dit is wel een beetje balen,” zegt ze tegen haar 5000 TikTok-volgers, terwijl ze keurig opgemaakt de afwas doet. Spaanse griep, Eerste Wereldoorlog, en geen reet te zeggen. Ze overweegt zich aan te sluiten bij de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht.

Het is satire, maar het snijdt scherper dan de meeste analyses van het tradwife-fenomeen. Want het blootgelegde mechanisme is precies hetzelfde als dat van Viktor Orbán, die op 12 april 2026 voor het eerst in zestien jaar een verkiezing zou kunnen verliezen — maar misschien ook niet, omdat hij de checks and balances grondig genoeg heeft uitgehold om aan de macht te blijven zelfs als hij verliest.

Orbán verkoopt ook een verlangen naar het verleden. Alleen grootser. En met staatsmiddelen.


2. Trianon als mytho-motor

Om Orbán’s gebruik van het verleden te begrijpen moet je de Vrede van Trianon kennen. In 1920 verloor Hongarije twee derde van zijn grondgebied en drie vijfde van zijn bevolking als gevolg van de vredesverdragen na de Eerste Wereldoorlog. In een opiniepeiling uit 1991 bleek Hongarije, van alle Europese landen, het grootst aandeel inwoners te hebben dat claimt dat stukken van aangrenzende landen eigenlijk van hen zijn: 68 procent. Dat gevoel is niet verdwenen. In een onderzoek van de Hongaarse Academie van Wetenschappen uit 2020 noemde 85 procent van de respondenten Trianon de grootste nationale tragedie van het land.

Orbán heeft dit niet uitgevonden. Hij heeft het geïnstrumentaliseerd. De constante inzet van geschiedenis, geheugen en identiteitspolitiek was een bouwsteen van het Orbán-regime. De Fidesz-regering riep 4 juni uit tot de ‘Dag van Nationale Samenhang’ ter herdenking van Trianon — en de grondwet van 2011 belooft letterlijk “de geestelijke en spirituele eenheid te bewaren van onze natie, verscheurd in de stormen van de afgelopen eeuw.” Make Hungary Great Again staat er niet boven, maar het scheelt weinig.

De politiek van nostalgie bindt populistische, nationalistische en autoritaire frames samen tot een coherent geheel: de elites zijn corrupt, maar dat waren ze niet altijd; ze zijn het spoor bijster geraakt, want ze missen een moreel kompas en zijn gekaapt door minderheidsbelangen. Het is een verhaal met een schurk, een slachtoffer, en een redder. Orbán is de redder. De vijand is Brussel, Soros, Oekraïne — de invulling varieert, de structuur niet.

Wat dit zo effectief maakt is de emotionele logica. Trianon biedt een manier om persoonlijke waardigheid te herbevestigen in een situatie van machteloosheid — de emoties over dit verdrag vertellen ons niet iets over het verleden, maar over de huidige toestand van degenen die het herdenken. De nostalgie is nooit over toen. Ze is altijd over nu.


3. Het universele patroon

Het is verleidelijk om Orbán te behandelen als een uitzonderlijk geval. Dat is hij niet. Het patroon is overal herkenbaar.

Trumps “Make America Great Again” roept nostalgie op naar een tijd die voor witte, mannelijke werkende Amerikanen relatief goed was — en structureel slecht voor bijna iedereen else. Erdogan bouwt zijn legitimiteit op de glorieuze dagen van het Ottomaanse Rijk. De Nederlandse versie is milder maar herkenbaar: de jaren vijftig als ijkpunt voor wat verloren ging. De tradwife op TikTok is die logica in haar meest onschuldige — en daardoor meest onthullende — vorm.

Nostalgische retoriek biedt een krachtig tegengif voor verhoogde niveaus van angst en ervaren bedreigingen — en dat is precies waarom ze werkt, ook als ze historisch aantoonbaar onjuist is. Niemand vraagt zich bij Orbán’s toespraken af of het Dubbele Keizerrijk eigenlijk wel zo goed was voor de gemiddelde Hongaarse boer, net zoals niemand bij de tradwife-video’s vraagt hoe het zat met vrouwen die in de jaren vijftig een baan wilden maar thuisgehouden werden. De satire van De Speld doet precies dat — en is daardoor dodelijker dan menige academische analyse.

De centrale vraag is niet of de nostalgie klopt. De centrale vraag is: welk huidig probleem maakt haar aantrekkelijk?


4. Nostalgie als symptoom

Er is gekwetste nationale trots in Hongarije omdat de economieën van Centraal-Europese buurlanden die van een stagnerend Hongarije hebben ingehaald. De onverklaarde rijkdom van Orbáns inner circle, die pronkt op luxe villa’s, jachten en privéjets, wekt ook woede. En toch stemt een substantieel deel van de Hongaarse bevolking al zestien jaar voor hem. Niet ondanks zijn falen, maar deels vanwege zijn verhaal.

Dit is het punt dat het progressieve en liberale centrum structureel mist. Nostalgie wint niet omdat mensen dom zijn. Ze wint omdat ze een narratief biedt dat de fragmentarische ervaring van mensen samenhangt tot iets begrijpelijks. Er was een tijd dat het beter was. Die tijd is ons afgenomen. Wij kunnen het terugbrengen. De schuldige is bekend.

Het klopt niet. Maar het is een verhaal. En het centrum heeft geen verhaal meer — alleen beleidsnota’s.

De Hongaarse verkiezingen zijn niet alleen een strijd tussen partijen, maar een test of politieke wisseling van de wacht nog betekenisvolle democratische verandering kan brengen na langdurige staatskaping. Maar zelfs als Orbán verliest, lost dat het onderliggende probleem niet op: zijn systeem is een referentiepunt geworden voor illiberale actoren door heel Europa. De vraag is niet of hij aan de macht blijft — de vraag is wie het volgende Orbán-achtige verhaal gaat vertellen, en in welk land.


5. Het antidote is geen tegen-nostalgie — maar verder terug gaan

De verkeerde conclusie is dat het centrum een eigen glorieus verleden moet verzinnen. Een betere versie van dezelfde drug is geen geneesmiddel.

Maar er is een ander probleem met de rechts-nostalgische tijdlijn: hij is gewoon te kort. Orbán verwijst naar pre-Trianon Hongarije. Nederlandse nostalgici verwijzen naar de jaren vijftig, of naar de Belle Époque, of soms naar de VOC. Trump naar een mythisch Amerika van vóór de burgerrechtenbeweging. Dat zijn allemaal tamelijk recente referentiepunten — en ze zijn stuk voor stuk zorgvuldig gekozen om bepaalde mensen in het beeld te houden en anderen eruit.

Ga verder terug, en het verhaal verandert volledig.

Neem het idee van een gesloten, zelfvoorzienende Europese natiestaat als historische norm. Die norm heeft nooit bestaan. Al in de vroege middeleeuwen liepen er handelsroutes van India tot Scandinavië — kruiden, zijde, kennis, technologie bewogen zich via de Indische Oceaan, de Arabische Zee, de Golf en de Rode Zee, overland door West-Azië, via Venetiaanse en Genuese handelsposten naar West-Europa. Nootmuskaat, peper en kardemom waren al bekend in Europese keukens ruim vóór Vasco da Gama, en eeuwen voor Jan Pieterszoon Coen de Banda-eilanden uitmoordde om het monopolie te grijpen. De kruistochten brachten niet kennis naar Europa — ze botsten op kennis die al reisde. Doen alsof een gesloten Nederland of een gesloten Europa een terugkeer naar iets normaals zou zijn, is dus geen conservatisme. Het is historische fictie.

Hetzelfde geldt voor de positie van de vrouw. Het tradwife-ideaal — onderdanig, huiselijk, van de man afhankelijk — wordt gepresenteerd als een terugkeer naar de natuurlijke orde. Maar ook die tijdlijn is zorgvuldig geknipte film. Jager-verzamelaars en vroege landbouwers kenden zeer waarschijnlijk een veel gelijkwaardiger taakverdeling dan de late-middeleeuwse en vroeg-moderne hiërarchie die als ijkpunt wordt genomen. De verhalen van de schildmaagden bij de oude Germanen — vrouwen als krijgers, als politieke actoren — zijn geen uitzondering maar deel van een veel ouder patroon. Wengrow en Graeber laten zien dat de rigide genderhiërarchie historisch gezien eerder uitzondering dan regel is. De “natuurlijke orde” van de tradwife is een tamelijk recent en geografisch specifiek experiment, geen oeroude standaard.

Dat maakt de ironie van figuren als Eva Vlaardingenbroek of Lidewij de Vos, lijsttrekker en fractievoorzitter van Forum voor Democratie, bijna te groot om te negeren. Beiden bekleden vooraanstaande publieke en politieke posities. Beiden propageren tegelijkertijd het ideaal van vrouwelijke onderdanigheid. Dat is geen consistente conservatieve positie — dat is het gebruik van de rechten die het feminisme heeft bevochten om het feminisme te ondermijnen. Je hoeft dat niet eens moralistisch te benoemen. De logische contradictie spreekt voor zichzelf.

Het punt van Wengrow en Graeber — en de reden waarom het verder teruggaan politiek zo nuttig is — is precies dit: het verleden als arsenaal van mogelijkheden. Niet “vroeger was het beter” maar “het heeft altijd anders gekund, en de keuzes die we nu als onvermijdelijk presenteren, zijn dat nooit geweest.” Nostalgie kijkt achteruit en sluit uit: dit volk, deze glorie, dit grondgebied, deze genderverhoudingen. Geheugen kijkt achteruit om vooruit te kunnen kijken — en ontdekt daarin een wereld die altijd grilliger, diverser en experimenterender was dan de nostalgici willen erkennen.

De tradwife die in 1917 belandt heeft pech. Maar ze had ook in 900 na Christus kunnen belanden, bij de Noormannen, als schildmeid met een bijl. De default is niet wat de nostalgici verkopen. De default is altijd ingewikkelder geweest.


Dit essay is het tweede in een reeks. Het eerste essay, ‘Andere afslagen zijn mogelijk’, verscheen eerder op luxzenburg.nl. De volgende bijdrage gaat over systeemdenken als politiek instrument — en hoe fragmentering werkt als bestuursstrategie.